Onze 10 jaar jonge aanpak heeft honderden professionals enorm geholpen. Zij ervaren onze begeleiding als 'de hele taart in plaats van een puntje'.

 Zo word je de inspirator die je bedoeld bent te zijn.

Onze 10 jaar jonge aanpak heeft honderden professionals enorm geholpen

Onzekerheid en depressie

Geschreven door: 

Overgenomen van depressie.org

Over het ontstaan van een depressie is nog niet zoveel bekend. Ook over de werking van antidepressiva en psychofarmaca is weinig bekend. We staan nog aan het begin van het precieze weten over het functioneren van de menselijke geest. Bij het ontstaan van depressie spelen aanleg, erfelijkheid (biologisch), perfectionisme, onzekerheid, behoefte aan bevestiging van buitenaf, kortom het karakter (psychologisch) en de omgeving, contacten met anderen, etc. (sociaal) een rol. Dezelfde factoren als bij het ontstaan van lichamelijk ziekten.
Waarom krijgt de een onder bepaalde omstandigheden wel een depressie en de ander, onder min of meer dezelfde omstandigheden, niet? Het antwoord hierop is niet eenvoudig. In de loop van de tijd ontwikkelde men een aantal theorieen, die tot nu toe niet volledig bewezen zijn. Voor een deel berusten ze op veronderstellingen. Hoewel de wetenschappelijke ontwikkelingen op dit gebied wel ontzettend snel gaan, blijft er vooralsnog veel onduidelijk.

Een of meerdere oorzaken
Onderzoekers zijn het er tegenwoordig over eens, dat voor een depressie niet een bepaalde oorzaak aan te wijzen is. In alle gevallen gaat het om een combinatie van een aantal ziekmakende factoren. We onderscheiden voor de duidelijkheid biologische en psychische en/of psychosociale factoren.
Men gaat er tegenwoordig van uit dat er een grote verscheidenheid bestaat aan spanningsbronnen (de luxerende of uitlokkende factoren), die een depressie of andere psychiatrische ziekte kunnen oproepen bij mensen die gevoelig of kwetsbaar zijn voor deze bepaalde ziekte. Die kwetsbaarheid kan aangeboren (erfelijk bepaald) zijn, of later in de jeugd verworven. Dat verklaart waarom de een na bijvoorbeeld een echtscheiding wel een depressie ontwikkelt en de ander niet.

Erfelijke factoren
Een erfelijke aanleg is ontegenzeggelijk van belang bij het ontstaan van depressies. Deze conclusie kan worden getrokken na uitgebreide familiestudies, waarbij de ziektegeschiedenissen van de verschillende familieleden bestudeerd zijn. Wanneer iemand uit een familie komt waarin veel depressies voorkomen, heeft hij gemiddeld een grotere kans zelf ook depressief te worden. Wanneer beide ouders aan depressies lijden of hebben geleden is de kans hierop bijvoorbeeld tienmaal zo groot als normaal.

Oorzaken binnen in de hersenen
Al heel lang proberen allerlei onderzoekers achter de werking van het centraal zenuwstelsel te komen. Verschillende theorieen zijn in de loop van de tijd opgebouwd en vele daarvan zijn inmiddels alweer achterhaald. Tot nu toe is ondanks al het onderzoek nog maar een klein gedeelte van de werking van de hersenen opgehelderd.
De hersenen vormen een zeer complex orgaan met miljarden zenuwcellen. De uitlopers van de zenuwcellen (de zenuwen) zitten niet als elektriciteitsdraden aan elkaar vast. De informatie (in de vorm van elektrische activiteit) kan dus niet zomaar van de ene zenuw direct doorlopen op de andere. Dit gebeurt door middel van afgifte van chemische boodschappers (de neurotransmitters, letterlijk: zenuw-overbrengers) in de zogeheten synaps (dat is de naam voor het contactpunt tussen twee zenuwcellen, de plek waar het uiteinde van de ene zenuwvezel dat van een andere zenuw raakt).
In het ene zenuwuiteinde bevinden zich kleine blaasjes met daarin een kleine hoeveelheid neurotransmitter. Als er een zenuwimpuls door de zenuw loopt en het uiteinde bereikt, zullen die blaasjes zich naar het uiteinde van de zenuw verplaatsen en daar openspringen. Zo komen de neurotransmitters terecht in de smalle ruimte tussen de beide zenuwen, de zogeheten synaptische spleet. Op het oppervlak van de andere zenuw bevinden zich de zogeheten receptoren (de ‘ontvangers’). Die geven, zodra ze met een bij hen passende neurotransmitter in aanraking komen, een elektrische prikkel af, waarna de informatie zijn weg verder kan vervolgen.
Wanneer het signaal is doorgegeven, kan de ‘gebruikte’ neurotransmitter afgebroken worden of weer worden opgenomen door de zenuwcel die de neurotransmitter had afgegeven, om een volgende zenuwimpuls over te brengen.

Er bevinden zich in de hersenen verschillende soorten neurotransmitters. De belangrijkste hiervan zijn: serotonine, noradrenaline, dopamine en acetylcholine. Naast deze vier zijn er inmiddels nog ten minste 30 andere ontdekt.
Het onderzoek naar de activiteit van neurotransmitters is aan het eind van de jaren '50 van de vorige eeuw op gang gekomen. Toen werd min of meer bij toeval ontdekt dat een bepaald middel tegen allergie (Imipramine) over antidepressieve eigenschappen beschikte. Dit lijkt toe te schrijven aan het vermogen van dat middel om de hoeveelheid neurotransmitter in de synaps te verhogen.
Normaal verdwijnt na de impulsoverdracht van de ene op de andere zenuw de neurotransmitter heel snel weer uit de synaps. Dat komt vooral doordat de neurotransmitter weer wordt teruggenomen (heropname) door de zenuwcel waaruit hij was afgegeven. Door deze heropname af te remmen zal de hoeveelheid neurotransmitter in de synaps langer in voldoende mate aanwezig blijven.
Bij mensen met depressies is ontdekt dat er in bepaalde delen van de hersenen een relatief tekort aan de neurotransmitters serotonine en/of noradrenaline bestaat. Ook is ontdekt, dat de concentratie van de afbraakproducten van beide stoffen in de hersenvloeistof verlaagd is. Men weet niet of deze tekorten aangeboren zijn of later pas zijn ontstaan.
De oudere antidepressiva remmen in meer of mindere mate zowel de heropname van serotonine als van noradrenaline. Hierdoor wordt de balans van noradrenaline en serotonine in de hersenen hersteld. Het werkingsmechanisme van deze middelen berust dus op een tweeledig principe; vandaar dat ze ook wel 'tweeledig werkzame antidepressiva' worden genoemd. Er zijn aanwijzingen dat ze op grond van dit werkingsmechanisme ook beter werken, vooral bij ernstige depressies.
Van de moderne middelen werkt mirtazapine (Remeron) ook via een tweeledig werkingsmechanisme. Het betreft hier een effectief negatief terugkoppelingsmechanisme, dat te ingewikkeld is om in dit bestek uit te leggen. Waar het om gaat is dat bij tweeledig werkende antidepressiva de balans tussen serotonine en noradrenaline in de hersenen wordt hersteld, hetgeen bijdraagt aan het genezingsproces.
Tot slot is er ook een groep antidepressiva die weer anders werkt: zij remmen de stof monoamineoxidase, die verantwoordelijk is voor de afbraak van neurotransmitters in de synapsspleet. Ook hier is het gevolg een toename van serotonine en noradrenaline.

Lichamelijke ziekten

Bij verschillende lichamelijke ziekten kunnen depressies voorkomen. Dit kan op twee manieren veroorzaakt worden.
In de eerste plaats kan een lichamelijke ziekte de werking van de hersenen beinvloeden. Er is dan sprake van een stemmingsstoornis door een lichamelijke aandoening. Onderzoek heeft bijvoorbeeld aangetoond dat ongeveer 30 procent van clienten na een CVA (beroerte of herseninfarct) een depressie ontwikkelt. Andere aandoeningen die depressies kunnen veroorzaken zijn bijvoorbeeld ziekten van de schildklier en van de bijnierschors (ziekte van Cushing). Maar er zijn nog enkele tientallen andere ziekten die depressies kunnen veroorzaken. Hoewel we ons hier beperken tot de depressie, moet vermeld worden dat de genoemde ziekten ook andere psychiatrische symptomen (bijvoorbeeld manische symptomen) kunnen veroorzaken.
Ten tweede kan de lichamelijke ziekte een psychologische (psychosociale) factor van betekenis zijn. Het lijden aan een ernstige lichamelijke ziekte kan erg zwaar zijn. Zo ontwikkelen veel clienten met kanker of met een ziekte die tot invaliditeit leidt, een depressie.
Maar een combinatie van beide is ook mogelijk. Bij een CVA houdt de depressie ten dele verband met de plaats van de vaataandoening in de hersenen (door het infarct is een deel van de hersenwerking uitgevallen) en ten dele met de psychologische factoren als gevolg van bijvoorbeeld een halfzijdige verlamming of problemen met het spreken. De verschijnselen als gevolg van een depressie door een lichamelijke aandoening zijn dan ook meestal niet te onderscheiden van die van andere soorten depressies.
 
Depressies door medicijngebruik
Er zijn enkele tientallen medicijnen waarvan bekend is dat ze een depressie kunnen veroorzaken.
 
Depressies door gebruik van middelen
Het langdurig gebruik van alcohol kan aanleiding zijn tot het ontstaan van depressies. Drankgebruik kan er ook toe leiden dat een bestaande depressie wordt onderhouden, dus langer duurt. Omgekeerd kan stoppen met drinken een depressie al doen opklaren, een feit dat helaas onvoldoende bekend is.
Depressies kunnen ook veroorzaakt worden door het gebruik van drugs. Cocaine en amfetamine zijn de bekendste voorbeelden.

Andere biologische factoren
Depressieve klachten en depressies kunnen ontstaan in de dagen vlak vóór de menstruatie begint (premenstrueel syndroom) en na een bevalling (postpartum depressie). Hoewel psychologische factoren zeker een rol spelen, hebben ook hormonen invloed op de stemming.

Onderzoek naar bestaande ziekten
Omdat diverse lichamelijke ziekten aanleiding kunnen zijn voor een depressie, is het erg belangrijk dat bij elke client met een depressie naar eventuele lichamelijke klachten wordt gevraagd. Daarna dient er een lichamelijk onderzoek plaats te vinden, aangevuld met een laboratoriumonderzoek en eventueel ander hulponderzoek, bijvoorbeeld röntgenonderzoek of een EEG (meting van de elektrische activiteit van de hersenen).
Als een lichamelijke ziekte ontdekt wordt, dient die uiteraard zo snel mogelijk behandeld te worden. Zo kan een te traag werkende schildklier (hypothyreoidie) eenvoudig gestimuleerd worden met synthetisch schildklierhormoon (bijvoorbeeld Thyrax). De depressie zal dan zeer waarschijnlijk opklaren; hij is als het ware omkeerbaar (reversibel). Dit is meestal niet het geval bij hersenaandoeningen (die zijn dus irreversibel).

Psychologische en/of psychosociale factoren
Depressieve clienten hebben in de periode voorafgaand aan het uitbreken van de depressie vaak een ‘life event’ doorgemaakt. Meestal gaat het om het overlijden van een dierbare of het verbreken van een relatie (een zogenaamde verliesgebeurtenis). Maar ook schijnbaar kleine gebeurtenissen kunnen aanleiding zijn voor een, soms zelfs ernstige, depressie. Waarschijnlijk is er dan sprake van de druppel die de emmer deed overlopen, en hebben zich daarvóór al ernstige gebeurtenissen afgespeeld, waartegen de client kennelijk nog net wel bestand was.
Ingrijpende of afschuwelijke gebeurtenissen zijn slechts bij een deel van de mensen aanleiding voor een depressie. Er moeten dus meer factoren zijn die een rol spelen. Dat kunnen bijvoorbeeld bepaalde nare jeugdervaringen of bepaalde persoonlijkheidseigenschappen zijn, of een manier van denken.
De ervaring heeft geleerd dat mensen met bepaalde karaktereigenschappen of persoonlijkheidskenmerken wat vaker een depressie krijgen dan anderen. Mensen die bijvoorbeeld onzeker zijn, last hebben van minderwaardigheidsgevoelens, een negatief zelfbeeld hebben of slecht tegen kritiek kunnen, lijken meer kans te hebben op een depressie. Mensen die heel plichtsgetrouw zijn en een streng geweten hebben, kunnen zich snel schuldig voelen over datgene wat ze gedaan of juist nagelaten hebben. En er zijn ook mensen die te hoge eisen aan zichzelf stellen en overdreven precies zijn. Hierdoor hebben ze regelmatig het gevoel dat ze falen, wat weer aanleiding is voor allerlei onzekerheid en minderwaardigheidsgevoelens.
Mensen die vinden dat ze snel afgewezen en niet begrepen worden ten slotte, voelen zich als het om kritiek gaat te snel persoonlijk aangesproken. Ze zijn overdreven aardig, voortdurend op zoek naar genegenheid en bevestiging en stellen zich te afhankelijk op.  Het is wetenschappelijk (nog) niet bewezen dat deze factoren daadwerkelijk als oorzaak van belang zijn.
Over de vraag of bepaalde nare jeugdervaringen bij het ontstaan van depressies een belangrijke rol spelen bestaat nog verschil van mening. Het op jonge leeftijd verliezen van een van de ouders zou, volgens onderzoek, wel een verhoogde kans op depressies geven. Hetzelfde zou het geval kunnen zijn als men in het latere leven een dierbaar persoon verliest.
Als de jeugd voor een groot deel bepaald wordt door emotionele verwaarlozing, eenzaamheid, te veel angst, terechtwijzing en afwijzing zal er ook een (iets minder) verhoogd risico op het ontstaan van depressies bestaan. Zo is er bijvoorbeeld een theorie die beweert dat mensen die in hun jeugd weinig waardering gekregen hebben voor hun prestaties 'geleerd' hebben maar niets meer te ondernemen, omdat het toch allemaal niets uithaalt. Het idee geen controle over de situatie te hebben, heeft hen als het ware hopeloosheid aangeleerd. Bij deze mensen zou op grond hiervan eerder een depressie ontstaan na een pijnlijke gebeurtenis.
Ook hier geldt: niet iedereen met nare jeugdervaringen krijgt later een depressie, het gaat om een zeer complex geheel.