Als we het denken te weten wordt het tijd om te ervaren wat al die theorieën over...

...communicatie, management en leiderschap werkelijk inhouden.

Als we het denken te weten wordt het tijd om te ervaren

Holistische psychologie

Geschreven door: 

Dirk Marivoet en holistische psychologie.

Holistische psychologie houdt zich bezig met de mens in zijn omgeving, diens zinvolle balans tussen lichamelijk welzijn, emotionele stabiliteit en mentale helderheid. Met de het woord 'zinvolle' wordt duiding gegeven aan het spirituele aspent. De mens is een zingevend cq. betekenis gevend wezen. Ratio en emotie laten zich niet in elkaar uitdrukken. Het spirituele aspect is de verbindende factor. Naast het welbekende primaire process (emotie) en secundaire proces (ratio) in de hersenen is er nog een derde proces gaande. Dit is het proces van asynchrone neurale oscilatie. Een proces dat zorgt voor de verbindingen tussen parallele neurale verbindingen en seriële neurale verbindingen, ervaringen en kennis. Holistische psychologie gaat hierover en over de interactie van deze processen met het lichaam. Onze mate van gezondheid is afhankelijk van parameters op zowel het geestelijke als het lichaamelijke vlak. Vandaar dat een holistische benadering, het geheel van het geestelijke, lichamelijke en spirituele van belang is wanneer we kijken naar gezondheid, gedrag en communicatie. Holistische psychologie is derhalve een prachtig vak en een geliefde specialistie voor coaches en psychologen in hun streven de mens te begeleiden naar peak performance. Voor wie hier meer over wil weten kopieerde ik het volgende artikel.

Bodymind integratie: De mens benaderen als geheel door Dirk Marivoet

"Therapie aan het lichaam zonder daarbij geïntegreerd werk te doen met
emoties en gedachten is even eenzijdig als psychotherapie die lichamelijke
processen negeert. Werk met een persoon dient daarenboven aan deze een
perspectief en integratie met "het geheel" te bieden.”
Dirk Marivoet


De meeste hedendaagse systemen van psychotherapie en lichaamstherapie zijn
extrapolaties van de reductionistische zienswijze die gangbaar was in de 19e
eeuw. De auteur beschrijft drie hoofdtakken van dit reductionisme: monistische,
dualistische en parallellistische wereldbeelden die elk geleid hebben tot
afgeleide therapeutische modaliteiten. Hij neemt op kritische wijze de
"holistische" visie onder de loep die hier tegenoverstaat, en die dikwijls
oneigenlijk opgeëist wordt door "alternatieve" therapieën. Lichaam en geest
blijven in vele behandelingswijzen soms op duidelijke, soms op meer subtiele
wijze van elkaar gescheiden in hun filosofie en methodologie. Onderzocht wordt
waaruit een "geïntegreerde" benadering dient te bestaan die een louter
oorzakelijke relatie tussen "body" en "mind" overstijgt.
Reductionisme.
Wetenschap in de 19e eeuw beschouwde het universum als een verzameling van
verwante, maar essentieel gescheiden delen en deeltjes, die elk afzonderlijk
bestudeerd en begrepen konden worden (Bohm, 1980). De meeste systemen
van psychotherapie en lichaamstherapie zijn extrapolaties van deze
reductionistische zienswijze (reductionisme gaat ervan uit dat ingewikkelde
verschijnselen altijd kunnen worden begrepen door ze te reduceren tot hun
fundamentele bouwstenen, en door te onderzoeken via welke mechanismen die
met elkaar in wisselwerking treden). Tal van systemen van gezondheidszorg
beschouwen de persoon nog steeds als bestaand uit een amalgaam van delen.
Geheel wordt in deze visie gezien als de som van de delen.

Zonder expliciet alle
filosofische aspecten van dit thema te willen doorgronden (Dat laat ik over aan
mensen die hierin meer gekwalificeerd zijn), wil ik in het kort drie hoofdtakken
onderscheiden in het wereldbeeld van de “persoon als delen” : monisme,
dualisme en parallelisme. Elk van deze benaderingen resulteert, omwille van zijn
geloofssysteem in verschillende therapeutische benaderingen.


Monisme: De typisch monistische benadering is de extreem reductionistische benadering die stelt dat alles wat bestaat fysisch is. Onze mentale ervaringen, onze gedachten en gevoelens kunnen alle verklaard worden door fysische processen, (synaptische overdracht, het vuren van
neuronen, enz.). Bewustzijn, en zelfbewustzijn (twee zaken die er lijken
voor te zorgen dat mensen naar antwoorden zoeken buiten het fysische)
zijn bijproducten van de biologische processen. De mind is in de
monistische visie dus niets anders dan het product van electrofysische
chemie in de hersenen; d.w.z. een persoon is equivalent aan het
functioneren van zijn of haar organen, en problemen kunnen getraceerd
worden en vervolgens behandeld worden door het helen van de betrokken
organen (biologische psychiatrie, e.a.). In dit wereldbeeld komen we ook
een flinke dosis determinisme (elke gebeurtenis -alsmede menselijk
handelen- heeft een oorzaak, waarbij de volgorde en aard van
gebeurtenissen volledig bepaald wordt door oorzakelijke wetten) tegen. Zo
hebben de moderne neurowetenschappen zich pas kunnen ontwikkelen
nadat er afstand was genomen van de theorie van de aangeborenheid uit
de ideeën van Descartes.

Dualisme: Mind en body (geest en lichaam) worden beschouwd als geheel
gescheiden van elkaar, en elk deel vereist een aparte behandeling; verbale
therapie voor mentale problemen en fysische therapie voor lichamelijke
ongemakken. In sommige dualistische benaderingen, neemt men aan dat
er een zeker effect van het ene domein op het andere bestaat, maar men
gaat er toch van uit dat een correcte behandeling ligt in het domein waar
het “echte probleem” bestaat.
Kepner (1987) definieert deze behandelingswijzen voortkomend uit een
dualistisch model als singulier (enkelvoudig - zie verder).
Parallellisme: Het domein van lichaam en geest worden gezien als
gescheiden, maar wel verbonden, op zo’n manier dat ze onvermijdelijke
effecten hebben op elkaar. Psycho-parallellisten geloven dat de werking
van de geest de werking van het lichaam weerspiegelt, en vice-versa -
mentale en fysische gebeurtenissen zijn enkel gecorreleerd, er is geen
oorzakelijke kracht in elk van de delen. Afhankelijk van de mate waarin de
delen als verbonden beschouwd worden, zullen problemen in het ene
domein gezien worden als een functie of dysfunctie in het andere.
Verandering in één deel zal dan een impact hebben op het andere. Zo
neemt men bv. in het geval van parallelisme aan dat psychologische stress
het lichaam beïnvloedt door fysiologische arousal. Lichamelijke klachten
kunnen het gevolg zijn van emotionele conflicten, of lichamelijk ongemak
kan bv. mentale depressie veroorzaken.
Kepner (1987) noemt behandelingsbenaderingen die gebaseerd zijn op een
parallelle verhouding van lichaam en geest, alternerende methodes.
Holisme, of Pseudo-holisme?
Het holisme is de wetenschappelijke tegenhanger van het reductionisme.
"Holisme" is dan ook sinds een paar decennia één van de modewoorden binnen
de humanistische, de transpersoonlijke, de complementaire gezondheidszorg,
en de “new age” beweging. In de populaire mythologie van deze bewegingen,
wordt holisme algemeen beschouwd als een vanzelfsprekend “goed iets”, dat de
notie vertegenwoordigt dat diverse vormen van gespletenheid kunnen opgelost,
geheeld, of getranscendeerd worden in een of andere integratie van hogere
orde. Zo’n integratie wordt inderdaad dikwijls gelijkgesteld met gezondheid en
volwassenheid, of dat nu in de persoonlijke, sociale of politieke sfeer ligt. De
term "Holisme" is een verleidelijk, maar tegelijkertijd ook een verraderlijk
concept dat verschillende dingen betekent voor verschillende mensen. Ik stel in
wat volgt de vraag in welke mate bepaalde visies van holisme echt bruikbaar en
geldig zijn.
Een definitie: Holisme volgens Kramers is de leer van de primaire waarde
van het geheel, van het organisme als totaliteit. Van Dale zegt: ho·lis·me
(het ~) 1 opvatting dat er een samenhang bestaat in de werkelijkheid die
enkel uit een beschouwing van het geheel blijkt en niet terug te vinden is in
de onderdelen. Het is dus m.a.w. is de theorie dat de delen van elk geheel
slechts kunnen bestaan en begrepen worden in hun relatie tot het geheel;
“holisme houdt daarenboven in dat het geheel groter is dan de som van zijn
delen”. Voortvloeiend uit deze definitie worden individuele elementen van
een systeem dus bepaald door hun relaties tot alle andere elementen van
dat systeem. Een complexe entiteit kan niet louter beschouwd worden als de
som van zijn delen; als een antropologisch principe is het uitgangspunt dat
ieder aspect van het menselijk leven dient bestudeerd te worden met oog
voor zijn relatie tot alle andere aspecten van het menselijke leven. In microperspectief
houdt holisme in dat het menselijk organisme wordt opgevat als
een levend systeem, waarvan de lichamelijke en geestelijke bestanddelen
onderling afhankelijk en verbonden zijn. In het macroperspectief betekent
het dat men ervan uitgaat dat een individueel organisme in voortdurende
wisselwerking staat met zijn natuurlijke en sociale omgeving.
Een paar interpretaties en versies: Misschien de meest populaire versie of
interpretatie van holisme is het geloof in de integratie van lichaam, mind en
spirit. Ideologisch verstaat men hieronder de fundamentele
onscheidbaarheid van het lichamelijke, mentale en spirituele zijn van de
persoon. Therapeutisch, verwijst het naar het belang om de persoon als een
“ganse” persoon te behandelen, evenals naar de “healing” die resulteert uit
de persoonlijke integratie van deze drie aspecten. Deze krachtige en
aantrekkelijke metafoor werd enthousiast gepromoot door velen die de
nieuwe paradigma’s aanhangen omtrent gezondheid en psychologie. In mijn
opinie, echter, is ze dikwijls beperkt en verwaterd. Een van de voornaamste
redenen hiervoor is dat, binnen de diverse nieuwe paradigma's, ze in grote
mate gelijkgesteld wordt aan de “positief denken” benadering die in zichzelf
gepolariseerd en ongeïntegreerd is. Het gaat hier dikwijls om een vrij
utopische benadering waarin alles perfect en prachtig is of kan worden. Dit
soort holisme promoot de mogelijkheid van wat wordt gezien als een
perfecte integratie van het gezonde lichaam, de positieve mind en de
goddelijke geest. Dit wordt zichtbaar in de manier waarop de nieuwe
paradigma's zich gewoonlijk focussen op jeugd, fysieke schoonheid,
verbeelding, creativiteit, liefde, empathie, geluk, zelfverwerkelijking,
verlichting, piekervaringen, extase, en vrede en dit idealiseren.

Het probleem met dit soort holisme is dat het eenvoudigweg niet holistisch
genoeg is. Eerder dan echt integratief te zijn, versterkt het de splitsing van
bijvoorbeeld, goed vs. kwaad, leven vs. dood, jeugd vs. ouderdom,
gezondheid vs. ziekte, schoonheid vs. lelijkheid, verbeelding vs. logica,
liefde vs. haat, en extase vs. ontzetting. Op deze manier ontkent het,
onderdrukt het of demoniseert het wat Jung zijn “schaduw” (Zie voor een
overzichtswerk over de schaduw: Zweig en Abrams (1996), of Pierrakos
(1996) het Lagere Zelf noemt. Het is een benadering die zoals Rollo May
(1969) opmerkte, niet in staat is om volledig de zogenaamd “negatieve
aspecten” van de menselijke ervaring zoals ziekte, angst, vijandigheid,
stagnatie te erkennen of ermee om te gaan. Daarom kan zo’n zienswijze
geen echte integratieve of holistische visie bieden en noem ik deze vorm
daarom “pseudo-holisme”.
Pseudo-holistisch beschouw ik ook de benaderingen die zich al te
gemakkelijk in oppositie met de “oude paradigma's” opstellen. Zij doen
verwoede pogingen om hun eigen unieke identiteit te bevestigen en zichzelf
te differentiëren van de “oude paradigma's”. Deze benaderingen hebben
zich in het algemeen geïdentificeerd met wat zij zien als de positieve kant
van de splitsing, terwijl ze tegelijk veel van de negatieve kant projecteren op
hun opponenten. Dit leidt onvermijdelijk tot een gefragmenteerde en
onvolledige visie. Erger nog verwerpen of devalueren sommige “holistische”
beoefenaren wetenschappelijke en cognitieve processen waarmee kennis
wordt vergaard.
Een meer holistische benadering doet een poging om de splitsingen te
integreren en te helen. Zij herkent de nood om de zogenaamd negatieve,
donkere aspecten van de menselijke natuur te integreren. Een ware filosofie
van het Geheel kan daarenboven het reductieve onderzoek niet uitsluiten,
omdat het onderzoek tot in het detail de gegevens voorziet die het geheel
samenstellen.
Zo’n benadering is niets nieuws onder de zon. We vinden ze terug in
existentialistisch denken en in vele psychotherapeutische theorie en praktijk.
Als we dit principe toepassen op de body-mind-spirit metafoor, dan betekent
dit dat we dienen om te gaan met de schaduw zoals die zich manifesteert in
elk van deze domeinen. In relatie tot het lichaam, houdt dit in dat we pijn,
ziekte, oud worden en sterven accepteren. Op het niveau van de mind,
dienen we ons onze angst, depressie, jaloezie, woede en andere schijnbaar
negatieve emoties toe te eigenen en ermee om te gaan, evenals het
rationele, analytische, en conceptuele denken zoals dat dikwijls
gedevalueerd en verwaarloosd wordt in de nieuwe paradigma's. Spiritueel
dienen we een manier te vinden om onszelf te verzoenen met zinloosheid,
tragedie, menselijke zwakte, verlies aan geloof, existentiële schuld, en "de
donkere nacht van de ziel".
Als we specifiek kijken naar lichaamstherapie, dienen we op te letten voor
gepolariseerde, idealistische tendensen in onze benadering van de persoon.
In de praktijk kan dit vastgesteld worden als een soort cult-achtige
zekerheid, charismatisch enthousiasme, spirituele verheerlijking.
Daarentegen is een beetje zelf-twijfel en nederigheid niet alleen verfrissend,
maar ook essentieel geloof ik. Zo zouden we ook een poging moeten doen
om onze interesse in zelfverwerkelijking, piekervaringen, extase, en de
“positieve” effecten van meditatie in evenwicht te brengen met onderzoek
naar falen, dalervaringen, en bepaalde risico's van de praktijk. Dit alles zou
verbonden moeten worden met het grotere plaatje van ons levensplan.
Horizontaal en Verticaal. We houden nog een ander belangrijk probleem
over. De bovenstaande vorm van holisme blijft in grote mate een
individueel-geöriënteerd holisme. Wat is de rol van andere mensen, sociale
en culturele systemen, de aarde en ecosfeer in dit model? Hoe verstaat het
de relatie tussen de individuele en andere realiteiten?
Om dit probleem op te lossen, dienen we de individuele body-mind-spirit
(“positief” en “negatief”) te integreren in de sociale, culturele en natuurlijke
werelden.
We dienen dus, zoals Warwick Fox (1993) voorstelt manieren te vinden om
alle “vier kwadranten” te respecteren en te integreren. Deze worden
gedefinieerd door combinaties van de “binnen-buiten” en “individueelcollectieve”
dimensies van evolutie. De “verticale” ontwikkeling van de
persoon naar hogere vormen van (spiritueel) bewustzijn dient geïntegreerd
te worden met een “horizontale” visie die het belang benadrukt van onze
expansie en gevoel van zelf naar buiten toe om een wijdere en diepere
identificatie met de natuurlijke wereld te bereiken. Met andere woorden
dienen we onze egocentrische en antropocentrische (verticale) dimensie te
verbinden met onze biocentrische of ecocentrische (horizontale) dimensie.
Er bestaat een enorm verschil tussen in staat zijn te begrijpen dat dit soort
Holisme een integratie vereist van opwaartse en neerwaartse stromen, of de
dimensies van binnen-buiten en individueel-collectief, en werkelijk in staat
zijn deze integratie te bereiken. Dit is het verschil tussen wat Ken Wilber
(1994) de map en het territorium noemt. Holisme of integratie dient
uiteindelijk bereikt te worden in de levenservaring, en niet door modellen.
Terug naar het lichaam in de therapie : Therapiebenaderingen afkomstig uit de
reductionistische visie.
Singuliere (enkelvoudige) benaderingen: De therapieën van heersende
strekking, of ze nu psychotherapie zijn of fysische therapie, zijn traditioneel
“singulier” geweest in hun benadering van de persoon. Psychologische
therapieën zoals psychoanalyse (Freud, 1938), client-centered (Rogers, 1951),
en andere gebruiken interventies die bijna exclusief verbaal zijn. Lichamelijke
processen worden dikwijls gezien als epi-fenomenen die verbonden zijn met,
maar gescheiden van de onderliggende mentale gebeurtenissen.
Even singulier in vorm zijn talloze lichaamstherapieën, zoals Rolfing (Rolf,
1977), de Alexander techniek (Alexander, 1971), en de Feldenkrais techniek
(Feldenkrais, 1972). Deze en andere somatische benaderingen erkennen de
bijdrage van psychologische processen in de vorming van lichaamsspanning en
posturale onevenwichten. Ze hebben echter geen formele methodologie om met
psychologische processen te werken of psychologische processen aan het
somatische werk te verbinden.
De singuliere benadering, of ze nu psychotherapeutisch of lichaamstherapeutisch
is, kampt met een belangrijk filosofisch en methodologisch
probleem! Zelfs als de verbale psychotherapie aandacht heeft voor lichamelijke
fenomenen, zoals bv. door het interpreteren van lichamelijke symptomen, mist
men de somatische methodologie (rechtstreeks werk met het lichaam) wat de
persoon achterlaat met een gevoel van gescheiden delen die op een lineaire
manier met elkaar verbonden zijn: Het mentale conflict veroorzaakt de fysieke
symptomen, eerder dan dat het gaat om een dilemma van het ganse organisme
met verscheiden manifestaties.
Sommige singuliere benaderingen gaan zo ver dat ze een onderlinge
afhankelijkheid veronderstellen (echter geen echt holisme!) van lichaam en
geest. Dikwijls gaat men uit van een premisse dat als je psychologische
processen verandert (conflict of defensie), je tevens de lichamelijke structuur
verandert die er afhankelijk van is. En vanuit lichamelijk oogpunt: als je de
structuur van het lichaam verandert, dat je de functie (psychologisch) die ervan
afhangt verandert. Zo kreeg ik ooit in een NLP-workshop te horen van de trainer,
dat als je een depressieve persoon zou kunnen helpen om zijn postuur en
oogpositie op te richten, door hem bv. basketbal te leren spelen dit ook op
termijn zijn mentale attitude wel zou veranderen. Als de behandeling van
depressie zo gemakkelijk zou zijn, zouden we niet veel therapie nodig hebben.
Een depressieve persoon is niet in staat om een on-depressieve attitude vol te
houden! lichamelijk noch psychisch, tot alle depressieve domeinen bevrijd en
geïntegreerd zijn! Het omgekeerde geldt evenzeer: De psychodynamische
exploratie van conflicten en onderdrukte impulsen inherent aan de depressie,
zullen niet noodzakelijk de oppervlakkige ademhaling en de terneergedrukte
houding van de cliënt veranderen. Hiermee wil ik niet gezegd hebben dat de
integratie van een posturaal onevenwicht niet zou kunnen veranderen door de
mentale constructen en attitudes van de cliënt op te tillen, maar deze
verandering is nooit gebaseerd op een causaal verband van deel tot deel
(lichaam op geest of geest op lichaam), maar wel het feit dat deze aspecten
horen bij het geheel.
Alternerende benaderingen:
Een mogelijke poging om het dilemma van “singuliere benaderingen” te
overwinnen is de respectievelijke lichamelijke en psychologische aspecten van de
persoon de nodige aandacht te geven door lichamelijke en mentale
therapiemethodes af te wisselen. Dit is een logische stap voor veel therapeuten,
hetzij psychotherapeuten die lichaamsgerichte interventies leerden of somatische
therapeuten die therapeutische vaardigheden leerden. Zo’n afwisseling van
technieken kan zich dan binnen één sessie afspelen, of binnen verschillende
sessies. Ze vinden plaats op verschillende tijdstippen, en er is geen poging om
simultaan met lichaam en psychologische processen te werken.
Het probleem met deze aanpak is dat, vermits er een duidelijke scheiding blijft
tussen somatisch en psychologisch werk, het gevoel van gespletenheid bij de
persoon (cliënt zowel als therapeut) nog kan toenemen. Het is moeilijk om een
gevoel van zijn eigen eenheid te ervaren als lichaamswerk en psychologisch werk
op verschillende ogenblikken gebeurt.
Dit wil weer niet zeggen dat integratie (het gevoel van zelf als een geheel) niet
kan optreden door een alternerende benadering. Integratie is echter afhankelijk
van bepaalde capaciteiten van de cliënt die therapeuten niet automatisch
kunnen veronderstellen. Daarnaast is het mogelijk dat de therapieën die
gebruikt worden filosofische en methodologische inconsistenties bevatten die
voor de cliënt conflicterend en verwarrend kunnen zijn.
Gelaagde Benaderingen:
Sommige lichaamsgerichte therapeuten werken in een “gelaagde benadering”.
Bijvoorbeeld: De therapeut kan beginnen met de cliënt een Gestaltdialoog te
laten voeren bv. een conversatie tussen verschillende delen van het zelf.
Simultaan werkt de therapeut aan de musculaire spanningen en de
lichaamshouding van de cliënt. Het werk ziet er elegant uit; twee parallelle maar
verschillende stemmen die samen een melodielijn vormen. De fysieke en
psychologische methoden blijven echter aparte stemmen, hoewel ze
samenwerken. Voor het niet-getrainde oog, lijkt het werk geïntegreerd, maar het
is niet omdat methoden samen worden gebruikt dat ze een garantie zijn voor
het samen ervaren ervan door de cliënt.
Een ander probleem met een gelaagde benadering is dat de fysische en
psychologische methodes afgeleid kunnen zijn van verschillende theoretische en
filosofische bronnen. Zo hebben bv. client-centered en transactionele analyse
geen expliciet "verstand" van lichaamsfenomenen in hun theorie en methoden.
Het gebruik van deze methoden samen met een lichaamsmethode maken het
waarschijnlijk dat de lagen van fysiek en psychologisch werk parallel en
ongeïntegreerd blijven. Er is geen expliciet inzicht van het belang of het verband
van lichaamsfenomenen en emotionele processen, wat betekent dat
methodologisch ze geen duidelijke manier hebben om de verschillende lagen bij
elkaar te brengen.
Ook kunnen er tussen verschillende methodes afwijkende zienswijzen zijn
omtrent de visie op de persoon en de aard van spanning of weerstand. Zo zijn er
belangrijke verschillen tussen bv. Gestalt, Rolfing en Reichiaanse benaderingen,
in hun visie op spanning en weerstand, maar het zou in het kader van dit artikel
te ver leiden om hier in detail op in te gaan. Dus indien de therapeut Rolfing en
Gestalt samen gebruikt bijvoorbeeld, is hij in principe niet meer trouw aan de
theorie en geest van Rolfing, respectievelijk Gestalt therapie, of beiden.
Een werkelijk geïntegreerde benadering zoals we die bv. vinden in Postural
Integration (PI) (Painter, 1987) is op zoek naar holisme, zowel in zijn
methodologie als in zijn visie op de persoon. Een benadering zoals PI is wel
beïnvloed door Gestalt, Rolfing, Reichiaanse therapie, e.a. , maar is integratie
en synthese uit these en antithese binnen de methode, waardoor het geen
eclectische benadering of een som van deeltherapieën is. Voor een beschrijving
van deze methode verwijs ik naar “Diep Lichaamswerk en Persoonlijke
ontwikkeling” (Painter, 1987).
Een geïntegreerde benadering.
Een geïntegreerde benadering zoals Postural Integration, kijkt naar een proces
(zoals een conflict, een levensthema, een fysiek symptoom) als deel van een
groter geheel, dat zowel somatische en psychologische aspecten bevat. Ieder
psychologisch thema (bv. een conflict tussen delen van het zelf, een emotioneel
trauma, een onafgewerkte interactie) maakt deel uit van een grotere gestalt die
de lichamelijke expressie van dat dilemma (bv. spanningspatroon, manier van
het lichaam te houden, ademremmingen) omvat. Ieder lichamelijk symptoom,
zoals een chronische spanning of een houdingsafwijking, is op zijn beurt een
expressie van een groter geheel, dat een psychologisch dilemma bevat en een
deel is van zijn expressie.
De klassieke psychosomatische visie in psychotherapie bestaat eruit dat het
mentale conflict de lichamelijke symptomen veroorzaakt. De geïntegreerde visie
kijkt naar beide delen als een unitaire expressie van het zelf, of van het
organisme. Wilhelm Reich (1949), verwees naar dit gegeven als de functionele
identiteit van lichaam en geest.
In termen van methode brengt een geïntegreerde benadering alle aspecten van
de persoon samen zodat de persoon zichzelf als een unitair organisme kan
ervaren, eerder dan een mengeling van delen. In dit opzicht zou de
therapeutische techniek de persoon niet mogen scheiden door met een aspect
van de persoon bezig te zijn, alsof het intrinsiek verschillend of gescheiden is
van het andere.
Meer concreet:
- psychologische processen die verwoord worden - bv. conflicten of
geloofsovertuigingen - worden expliciet verbonden met hun lichamelijke
expressie
- Lichamelijke processen zoals houding, spierspanning, en lichamelijke kwalen,
worden gezien als betekenisvolle expressies van de persoon.
- Zowel lichamelijke als psychologische processen worden beschouwd als
aspecten van hetzelfde geheel (de persoon/organisme) en de verdeling in
delen.
Therapeutische techniek streeft ernaar het gevoel van zelf als een geheel te
herstellen en de onderlinge identiteit van de delen te verzekeren.
Besluit:
Ik ben er de grootste voorstander van dat het "filosofisch milieu" van de
therapeutische praktijk, alsook de basis van zijn ethische antwoorden het
moderne integratieve “whole-system” wereldbeeld dient te zijn. Er is veel in dit
artikel dat kritisch mag lijken op de nieuwe paradigma's. Het was steeds mijn
intentie om tot een duidelijke formulering te komen van de mogelijkheid tot
integratie van body en mind in de praktijk van persoonlijke groei. Ik hoop dat
deze tekst een kleine bijdrage mag zijn naar een werkelijk holistische en
geïntegreerde omgang met onszelf, onze medemens en de wereld. De
traditionele scheiding tussen psychologische en somatische methodes dient
hierbij niet alleen overbrugd te worden, maar psyche en soma dienen verenigd
te worden in de persoon en in de methode, en in relatie gebracht te worden met
sociale en transpersoonlijke werelden (Transpersoonlijk is een perspectief of
punt van perceptie dat toestaat het concept van 'individu' in zijn relatie tot het
grotere 'geheel' te zien).

Literatuur:
Alexander, F. M. (1971). The resurrection of the body. New York: Dover.
Bohm, D. (1980). Wholeness and the implicate order. Boston: Ark. In het
Nederlands: David Bohm, Heelheid en de Impliciete Orde, Lemniscaat,
Rotterdam, 1985.
Feldenkrais, M. (1972). Awareness through Movement. New York: HarperCollins.
In het nederlands: Feldenkrais, M., Bewustworden door bewegen.
Fox, W. (1993). "Transpersonal Ecology". In R. Walsh & F. Vaughan (eds.).
Paths Beyond Ego: The Transpersonal Vision. Los Angeles: Tarcher.
Freud, S. (1938). The basic writings of Sigmund Freud (A. Brill, Ed.). New York:
HarperCollins.
Kepner, J. (1987). Body Process: A Gestalt Approach to Working with the Body in
Psychotherapy. New York: Gardner Press.
Marivoet D. (1998), Angst bewerken door integratie van lichaam en geest, in
Catechetische Informatie. ma/ap.
May, R. (1969), Love and Will.
Painter, J. (1987). Deep Bodywork and Personal Development. Mill Valley:
Bodymind Books.
Pierrakos, John, Energetica van de Ziel. (Core Energetics) Becht, 1996.
Reich, Wilhelm.(1949) Character-Analysis: Principles and Technique for
Psychoanalysts in Practice and in Training. NY: Orgone Institute Press.
Rogers, C.R. (1951). Client-Centered therapy: Its current practice, implications
and theory. Boston: Houghton, 1951.
Rolf, I.P. (1977). Rolfing: The Integration of human structures. New York:
Harper-Collins. Wilber, Ken.(1994), Zonder grenzen. Amsterdam, Karnak.
Zweig Conny & Jeremiah Abrams (red.) (1996), Ontmoeting met je schaduw.